Spring naar inhoud

ISLAMGEWELD IN INDONESIE

12/02/2011

Religieus geweld aan vooravond proces Bashir
Indonesië wordt voor aanvang van het proces tegen Abu Bakar Bashir getroffen door een golf van religieus geweld. Met name christenen en moslims die afwijkende hebben zijn vaker het doelwit van extremisten. President Yudhoyono is bezorgd. De Indonesische politie is ingezet om een aantal kerken te bewaken.

Aanleiding is het geweldsincident op Centraal-Java. Daar werden twee kerken door fanatieke moslims in brand gestoken nadat een christelijke man naar hun zeggen een te lage straf had gekregen voor het beledigen van de islam. Ook Ahmadiya-aanhangers kregen te maken met geweld. Zij werden met kapmessen en bamboestokken belaagd. Deze beweging ziet zichzelf als moslims, maar houdt er op sommige punten andere opvattingen op na.
De gewelddadige incidenten hebben tot veel kritiek geleid op president Yudhoyono. Hij zou te weinig doen om niet-moslims of anders denkenden te beschermen tegen moslimsextremisten. Yudhoyono beloofde woensdag dat de geweldplegers hard aangepakt zullen worden. “De bescherming en veiligheid van elke persoon moet gegarandeerd zijn, ongeacht religie, etniciteit, ras, politieke voorkeur of beroep.”

Een van de belangrijkste figuren in  het radicaal terrorisme is Abu Bakar Bashir. Gisteren stond hij opnieuw voor de rechter. Hij wordt verdacht van zeven terroristische misdrijven. Zo zou onder andere betrokken zijn geweest bij een trainingskamp voor terroristen in de provincie Atjeh. Vorig jaar werd dat kamp opgerold. Als Bashir schuldig wordt bevonden kan hij mogelijk de doodstraf krijgen.

De 72-jarige man wordt gezien als de spiritueel leider van Jemaah islamiyah, een terreurorganisatie. Zij zouden banden hebben met Al Qaida, het netwerk van Osama Bin Laden. Bashir houdt vol dat hij niets te maken heeft met terroristische activiteiten, maar dat hij slechts een geestelijke is.

Bashir staat sinds 2002 voor de derde keer terecht voor terrorisme. Hij heeft ook al 26 maanden vastgezeten voor zijn vermeende betrokkenheid bij de bomaanslagen op Bali in 2002. Hierbij kwamen 202 mensen om het leven, onder 4 Nederlanders. Een tweede rechtszaak liep op niets uit vanwege gebrek aan bewijs.

VOOR EEN VLAAMSE ATHEISTISCHE PARTIJ

02/02/2011

27-01-11
VOOR EEN ATHEISTISCHE PARTIJ

Ik, Frans van Dongen, vind dat er een atheïstische partij moet komen.

En ik heb daar de volgende argumenten voor:

Ten eerste, omdat de religianten steeds verder oprukken. De invloed van religianten op vrijwel alle maatschappelijke vlakken wordt steeds groter: Ze bemoeien zich met vrije zondagen, met abortus, wetenschappelijk onderzoek, wat er in onze musea hangt, welke films eruit mogen komen, hoe ver cabaratiers mogen gaan en ongetwijfeld kunt U nog veel meer voorbeelden bedenken. Ons onderwijs kom ik straks op.
Of de te grote macht van de christenen de invloed van de islam onbedoeld groter maakt, bijvoorbeeld in het onderwijs of in de staatsomroep ? Of dat de christenen in het kielzog van de moslims ook weer een grote mond krijgen ? Ik weet het niet.
Feit is, dat het ongelovige deel van de burgerij in de talrijke bestuurslagen, die ons land kent, volledig ondervertegenwoordigd is. Het beste voorbeeld van de zogenaamde ‘kloof’ is natuurlijk het geloof. Aan de Haagse kant van de kloof is bijna iedereen, direct of indirect, met religie bezig. Aan onze kant bijna niemand.
Minister Ter Horst noemt het positieve discriminatie om in bestuusfuncties mensen te benoemen, die tot een groep behoren, die in de betreffende bestuurslaag ondervertegenwoordgd zou zijn. Zo moest bij de politie de chef per se een vrouw zijn. Ik vraag me af, of er zoiets voor atheïsten in het leven geroepen kan worden.

Het tweede argument is het ‘principe-argument’: In het parlement wordt het religiante geluid veel gehoord; in allerlei soorten, maten, smaken, geuren en kleuren. En het atheïstische geluid ? Niemand ! Oorverdovende stilte ! Sommigen zeggen er af en toe wel iets over, maar niemand zit daar als atheïst, als zodanig. Het is net, alsof we in een staat leven, waar je mag roepen, dat je in kabouters gelooft, maar als je daar niet in gelooft, kun je beter je mond houden; en je mag in ieder geval niet in het bestuur van het Gote Bos.
Het derde argument is, dat je met een partij duidelijk kunt maken, dat het ons niet alleen om het terugdringen van de islam uit bijvoorbeeld het onderwijs gaat, maar dat we alle godsdiensten uit de openbare ruimte willen weren. We kunnen door middel van partij-politiek duidelijk maken, dat we itt Wilders geen onderscheid wensen te maken tussen welke religies dan ook. Iedereen is vrij om z’n religie uit te oefenen, maar niet op school ! We beroepen ons op de principes van wat professor Israel de Radicale Verlichting noemt (Spinoza, Bayle, Meslier). Met lobbyisten blijft dit volkomen onderbelicht, want lobbyisten komen niet in het nieuws. Met een partij kun je uitdragen, dat het je om volledige Scheiding van Kerk en Staat gaat, terwijl je met een lobby-groep dermate achter de schermen werkt, dat je überhaupt minder uitdraagt.

Het derde argument, het onderwijs moet apart genoemd worden: Niet één vorm van religie moet in niet één vorm van onderwijs toegestaan worden. Noch op de lagere scholen, noch op de middelbare scholen, noch op de universiteiten. We zullen hiervoor dus niets minder als de grondwet voor moeten veranderen. Dat kan niet, als je niet aan politiek wil doen. Dat lukt niet met alleen maar lobbyisten; al is het maar, omdat de religiante lobby allesomvattend en allesdoordringend is. Met gekozen kamerleden heb je kans, om de macht van de religianten te doorbreken; in lobby-land ben je machteloos, een volkomen ongelijke strijd.

Mijn vierde argument is het “Imagine-argument”: Zou het niet prachtig zijn, zou het niet van enorme historische betekenis zijn, en zou het niet tegelijkertijd om te gieren van de lach zijn, als er een parlementariër in de Tweede Kamer zat, al was het er maar één, die het atheïstische geluid liet horen ? “You may say, I’m a dreamer….”.

En bovendien: Op een partij kun je stemmen, maar op een lobby niet !

LIBERALES DEBAT

02/02/2011

dinsdag 22 maart om 20u: Dirk Verhofstadt in gesprek met Etienne Vermeersch
Liberales organiseert op 22 maart om 20 uur de voorstelling van het nieuwste boek van Dirk Verhofstadt onder de titel ‘Dirk Verhofstadt in gesprek met Etienne Vermeersch. Een zoektocht naar waarheid’. Dirk Verhofstadt zal die avond Etienne Vermeersch interviewen over het ontstaan van het heelal, de eerste mens, het bestaan van Jezus, de misogynie in de Bijbel en de Koran, abortus en euthanasie, het belang van milieu, de rechten van dieren, het belang van kunst en de dood. De inkom is gratis maar reserveren moet op dirkv@liberales.be. De eerste 200 inschrijvers hebben een plaats. Dit vindt plaats in het Liberaal Archief, Kramersplein 23 te Gent.

SP-A censureert satire

26/09/2010

Mag men volgens de Islam stemmen ?

10/06/2010

 

Is stemmen in democratische verkiezingen toegestaan door Islam?
PDF
Afdrukken
E-mail

maandag 17 mei 2010

De realiteit van democratie en stemmen bij democratische verkiezingen

Democratie is het systeem voor regeren dat is geresulteerd uit het idee van secularisme. Secularisme is het idee van "scheiding van kerk en staat" (ook wel: "scheiding van religie en leven") dat zegt dat God zich niet mag bemoeien met de levens van de mensen. Volgens het secularisme mag God de mensen niet voorschrijven hoe zijn hun levens moeten leiden en moeten ordenen. Enkel in de kerk mag God de mensen wetten voorschrijven. Buiten de kerk, zo zegt het secularisme, moeten de mensen zelf bepalen hoe zij hun leven leiden en ordenen.

Om dit mogelijk te maken is het systeem van democratie ontwikkeld door de aanhangers van secularisme. In democratie kiezen de mensen vertegenwoordigers vanuit hun eigen midden en geeft het hen de taak om ordening aan te brengen in de levens van de mensen en in de samenleving, door wetten te maken. De gekozen vertegenwoordigers van de mensen komen daarom samen om te debatteren over wat de wet zou moeten zijn in het land. En tezamen bepalen zij dan wat de wet zal zijn.

Dit is de realiteit van democratie en hieruit blijkt de realiteit van stemmen bij democratische verkiezingen. Bij democratische verkiezingen worden de mensen geacht hun stem te geven aan de persoon of partij waarvan zij denken dat deze het beste in staat is om de wet te maken. Middels hun stem geven de mensen goedkeuring aan deze persoon of partij om deel te nemen aan de debatten over wat de wet zou moeten zijn en de beslissingen over wat de wet zal zijn. En het idee hierbij is dat de stemmen van de mensen zullen aantonen wat de mensen willen dat de wet zal zijn. Zodat de debatten en beslissingen van de gekozen vertegenwoordigers als uitkomst zullen hebben: de wet die de mensen willen.

Het Goddelijk Oordeel over democratie

Er bestaat een consensus onder de geleerden van Islam dat dit systeem van democratie verboden (haraam) is verklaard door Islam. Er is in de geschiedenis van Islam niet één geleerde geweest die hierover anders heeft geoordeeld. De reden hiervoor is Allah (swt) heeft duidelijk gemaakt, zonder ruimte te laten voor twijfel of onzekerheid, dat enkel Hij (swt) wetten mag maken:

"Het oordeel komt alleen Allah toe. Hij beveelt dat jullie alleen hem dienen. Dat is de juiste godsdienst, maar de meeste mensen weten het niet." (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera Joesoef 10, vers 40)

Allah (swt) heeft ook duidelijk gemaakt dat hij de mensen geen toestemming geeft om deel te nemen aan het proces van wetten maken:

"… aan Zijn heerschappij laat Hij niemand deelnemen." (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera Al Kahf 18, vers 26)

Er zijn talloze verzen in de Koran die duidelijk maken dat deze kwestie een kwestie van geloof (imaan) en ongeloof (koefr) is:

"Nee, bij jouw Heer, zij geloven niet totdat zij jouw (o, Mohammed) tot rechter maken bij hetgeen tussen hen omstreden is, en zij in hun harten geen weerstand vinden tegen hetgeen jij besluit en dit accepteren met complete overgave" (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera An Nisaa 4, vers 65)

"En wie niet heersen middels wat Allah heeft geopenbaard, zij zijn de ongelovigen" (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera Al Maida 5, vers 44)

Ibn ‘Abbaas (ra) heeft over dit vers gezegd dat iedereen die een eenduidig (qat’i) oordeel van Allah (swt) verwerpt, een ongelovige (kaafir) is in de ogen van Allah (swt) alhoewel hij zichzelf mogelijk moslim noemt. Ibn ‘Abbaas (ra) heeft verder gezegd dat degene die zegt dat de Heerschappij van Allah (swt), oftewel het regeren met de Wetten van Islam, niet gevestigd hoeft te worden, een ongelovige (kaafir) is. En dat degene die zegt dat regeren met de wetten van mensen beter is dan regeren met de Wetten van Islam ook een ongelovige (kaafir) is. En dat degene die zegt dat regeren met de wetten van mensen net zo goed is als regeren met de Wetten van Islam ook een ongelovige (kaafir) is. En hij (ra) heeft ook gezegd dat degene die de Wet van Allah (swt) niet ontkent maar gelooft dat regeren met wetten van mensen ook is toegestaan, ook een ongelovige (kaafir) is omdat hij ontkent dat het maken van wetten enkel voor Allah (swt) een recht is.

Ibn ‘Abbaas (ra) zegt ten slotte dat iemand die regeert met wetten anders dan de Wetten van Islam, maar die niet gelooft dat de wetten van de mensen beter zijn dan de Wetten van Islam, en die daarom geen liefde heeft voor de wetten van mensen maar de Wetten van Islam prefereert, maar die desondanks toch regereert met de wetten van mensen, een zondige persoon is. Hij is door zijn daad niet een ongelovige, maar een zwaar zondige persoon. Dit is omdat Allah (swt) zegt:

"En wie niet heersen middels wat Allah heeft geopenbaard, zij zijn de onrechtplegers" (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera Al Maida 5, vers 45)

"En wie niet heersen middels wat Allah heeft geopenbaard, zij zijn de overtreders" (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera Al Maida 5, vers 47)

Dit betekent dat iemand die niet regeert met de Wetten van Islam en dit als toegestaan om zelfs als beter beoordeelt, een ongelovige (kaafir) is. En iemand die niet regeert met de Wetten van Islam, maar die weet dat dit eigenlijk niet is toegestaan, die begaat de zonde van "koefr doen koefr". Oftewel, de zonde van een ongeloof (koefr) dat iets minder is dan echt compleet ongeloof (koefr).

Ibn Djarier at Tabari zegt in zijn Djami al bayan fi tafsier al Koran dat er over dit alles geen meningsverschil bestaat onder de geleerden van Islam.

Ibn Kathier heeft de woorden van Ibn ‘Abbaas (ra)  verder verduidelijkt door de Tartaren als voorbeeld te nemen. Ibn Kathier zegt: "… zij maakten voor zichzelf een wetboek bestaande uit verschillende wetten van de joden, christenen en de Dien van Islam. Het bevatte ook vele wetten voortkomende uit hun eigen meningen en verlangens. Dit werd later een systeem van wetten dat de mensen volgden en waaraan zij de voorkeur gaven over het Boek van Allah (swt) en de Soenna van Zijn Boodschapper (saw)". Omdat Allah (swt) zegt:

"Waarlijk, degenen die Allah en Zijn boodschappers verwerpen en onderscheid wensen te maken tussen Allah en Zijn boodschappers, zeggende: ‘Wij geloven in sommige en niet in andere’, zij willen een tussenweg volgen. Dezen zijn inderdaad de ongelovigen en Wij hebben voor de ongelovigen een vernederende straf bereid." (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera An Nisa 4, vers 150 – 151)

, concludeert Ibn Kathier: "Dus de heerser die zo (als de Tartaren) doet is een ongelovige".

Samenvattend, Allah (swt) heeft geoordeeld dat enkel Hij (swt) de wet mag bepalen. Wie deze Wet niet gebruikt in regeren omdat hij van mening is dat Allah (swt) de wet niet mag maken, of omdat hij van mening is dat de mens ook wetten mag maken, die is een ongelovige (kaafir). Degene die de Wet van Allah (swt) niet gebruikt maar toch van mening is dat hij de Wet van Allah (swt) wel zou moeten gebruiken, die is een zwaar zondige persoon.

Het Goddelijk Oordeel over stemmen bij democratische verkiezingen

In de westerse landen gebruiken de mensen democratie omdat zij in dit systeem geloven. Zij geloven dat Allah (swt) de wet niet mag maken, en dat de mensen zelf betere wetten kunnen maken dan Allah (swt). Dit is compleet ongeloof (koefr). Over deelname aan deze democratie heeft Allah (swt) gezegd:

"Zij hebben naast Allah hun rabbijnen en hun monniken tot Heren genomen. En ook de Messias, de zoon van Maria, hoewel hun was bevolen slechts de ene God te aanbidden. Er is geen God naast Hem. Hij is verheven boven hetgeen zij met Hem vereenzelvigen." (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera At Tauba 9, vers 31)

In de tafsier van At Tabari wordt uitgelegd wat dit vers precies betekent. At Tabari citeert een hadieth overgeleverd door Ahmed en At Tirmidhi en zegt: "Nadat de Boodschapper van Allah (saw) bovenstaande vers had gereciteerd zei Adi bin Haatim: ‘O Boodschapper van Allah! Zij aanbidden hen (de rabbijnen en monniken) niet!’. De Boodschapper van Allah (saw) zei: ‘Dat doen zij zeker wel. Zij (de rabbijnen en monniken) maakten het toegestane verboden, en het verbodene toegestaan, en zij (de joden en christenen) volgden hen. En door zo te doen aanbidden zij hen feitelijk’."

Dit betekent deelnemen aan democratie omdat men gelooft in democratie een vorm van meergoderij (sjirk) is. Degene die zijn stem uitbrengt in democratie maakt niet zelf de wetten, maar hij accepteert dat andere mensen de wetten maken en hij ondersteunt dit.

Degene die deelneemt aan democratie alhoewel hij hier niet in gelooft, die hier zelfs een hekel aan heeft, en die gelooft in enkel en alleen de Wet van Allah (swt), die heeft geen meergoderij (sjirk) begaan. Maar, hij heeft wel meegedaan aan iets waarvan hij weet dat het ongeloof is en verboden is door Islam. Hij heeft daarom een ernstige zonde begaan.

Het verschil van mening onder de geleerden over stemmen bij democratische verkiezingen

Er zijn tegenwoordig veel geleerden die zeggen dat stemmen bij democratische verkiezen niet verboden (haraam) is. Zij zeggen dit echter voor verschillende redenen.

Sommige geleerden zeggen dat democratie hetzelfde is als consultatie (sjoera). En omdat Islam consultatie (sjoera) heeft toegestaan, zeggen zij, heeft Islam dus ook democratie toegestaan. Stemmen bij democratische verkiezen beoordelen zij daarom als toegestaan.

Andere geleerden zeggen dat stemmen bij democratische verkiezen niet verboden (haraam) is alhoewel zij ook van mening zijn dat democratie in zichzelf verboden (haraam) is.

Sommigen van de geleerden in deze categorie zeggen dat democratie weliswaar verboden (haraam) is, maar dat de moslims hun belangen enkel kunnen behartigen door te stemmen bij democratische verkiezingen. En volgens hen bevat Islam het principle "noodzaak (dharoera)", wat volgens hen betekent dat de Islamitische wet verandert als dit noodzakelijk is voor de moslims. Dus omdat het volgens hen noodzakelijk is dat de moslims stemmen bij democratische verkiezingen, omdat de moslims enkel door stemmen bij democratische verkiezingen hun belangen kunnen behartigen, heeft Islam het stemmen bij democratische verkiezingen volgens hen toch toegestaan (halal) gemaakt. Alhoewel Islam het stemmen bij democratische verkiezingen dus in oorsprong verboden (haraam) heeft verklaard.

In deze categorie zijn er ook sommige geleerden die zeggen dat democratie weliswaar verboden (haraam) is, maar dat de moslims hun belangen enkel kunnen behartigen door te stemmen bij democratische verkiezingen. En, zeggen zij, stemmen bij democratische verkiezingen is verboden (haraam) omdat democratie verboden (haraam) is, maar niet zorgen voor de belangen van de moslims is ook verboden (haraam). De moslims staan volgens hen dus voor een keuze tussen twee haraams: stemmen bij democratische verkiezingen is verboden (haraam) en niet stemmen bij democratische verkiezingen is verboden (haraam), want niet stemmen is niet zorgen voor de belangen van de moslims. En volgens hen bevat Islam het principle "minste van twee kwaden (agaffal dhararain)". Dit principe zegt: "Als een persoon geconfronteerd is met een keuze tussen twee kwaden (oftewel twee haraams), en hij kan niet anders dan één van deze twee verrichten, dan voorkomt hij het grotere kwaad door het het mindere kwaad te verrichten". Dit betekent volgens hen dat iets dat in oorsprong door Islam verboden (haraam) is verklaard toch toegestaan (halal) kan worden, indien de opties die de moslims ter beschikking staan allemaal verboden (haraam) zijn. In dergelijke gevallen, zeggen zij, maakt Islam het minste kwaad toegestaan voor de moslims. En, zeggen zij, niet zorgen voor de belangen van de moslims is een groter kwaad dan stemmen bij democratische verkiezingen. Op basis hiervan concluderen zij dat Islam het stemmen bij democratische verkiezingen toch toegestaan (halal) heeft gemaakt, alhoewel Islam het stemmen bij democratische verkiezingen dus in oorsprong verboden (haraam) heeft verklaard.

Ten slotte zijn er in deze categorie ook nog geleerden die de moslims toch aansporen om te stemmen bij democratische verkiezingen. Islam bevat volgens hen het principe "profijt (maslaha)" en dit betekent volgens hen dat de moslims alles moet doen dat de moslims profijt brengt. Zij zeggen dat door te stemmen bij democratische verkiezingen de moslim er voor kan zorgen dat de kandidaten die de moslims profijt zullen brengen in het parlement komen. En omdat Islam volgens hen de moslims verplicht om profijt te realiseren, zeggen zij dat Islam de moslims verplicht zijn om te stemmen bij democratische verkiezingen, alhoewel Islam het stemmen bij democratische verkiezingen dus in oorsprong verboden (haraam) heeft verklaard.

EUGENETICA

04/12/2009

De mens voorbij
boek vrijdag 04 decmeber 2009Gie Van den Berghe

‘Alle mensen worden vrij en gelijk in waardigheid en rechten geboren. Zij zijn begiftigd met verstand en geweten, en behoren zich jegens elkander in een geest van broederschap te gedragen’, zo klinkt het eerste artikel van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Deze uitspraak kwam er na gruwel van de Tweede Wereldoorlog toen miljoenen mensen omwille van hun ras of afkomst werden gedegradeerd tot ‘Lebensunwertes Leben’, en die volgens het nazi-regime het niet waard waren om verder te leven. Zij werden dan ook massaal gestigmatiseerd, opgepakt en vermoord. Daarbij ging het niet enkel om Joden, zigeuners, homoseksuelen, Getuigen van Jehova, communisten en andere tegenstanders van het regime, maar ook om grote aantallen mentaal en fysiek gehandicapten die volgens de nazi’s de ‘gezondheid’ van de natie ondermijnden en daarom fysiek moesten worden uitgeschakeld. Om de genetische zuiverheid van het Germaanse volk te garanderen moesten mensen met dergelijke handicaps zo snel mogelijk worden gesteriliseerd of gedood. Tussen 1 september 1939 en 24 augustus 1941 werden meer dan 70.000 mensen in het geheim geliquideerd door verhongering, dodelijke injecties, vergiftiging of vergassing. Deze praktijk zorgde ervoor dat de eugenetica, het wetenschappelijk onderzoek naar de verbetering van het mensenras, sindsdien wordt beschouwd als immoreel en onaanvaardbaar.

Nochtans werd de eugenetica op het einde van de 19de en de eerste decennia van de 20ste eeuw gezien als een vooruitstrevende wetenschap die rechtstreeks voortvloeide uit de aanname dat de mens maakbaar en verbeterbaar is. En ook vandaag worden onderzoeken en ingrepen gedaan om menselijke imperfecties te voorkomen of te herstellen. Over dit thema schreef de ethicus en historicus Gie van den Berghe het intrigerende boek De mens voorbij waarin hij op zoek gaat naar de denkkaders die tot de nachtmerrie van de nazi’s geleid hebben. Aan de hand van talloze voorbeelden toont hij aan hoezeer wetenschappers sinds de Verlichting geloofden dat we via de rede in staat zouden zijn om zowat alle problemen op te lossen of bij te sturen, ook de attitudes van mensen. Deze gedachte kreeg door Darwins evolutietheorie een bijkomende grondslag door de toepassing van elementen uit de biologie op andere wetenschapsdomeinen zoals de sociologie, omschreven als het sociaaldarwinisme. Het sterkte de overtuiging dat mensen, net als planten en dieren, onderhevig zijn aan selectieprocessen, en dat niet enkel individueel maar ook als groep, volk of ras. Veel sociaaldarwinisten zagen de samenleving als een boom waaruit men de zieke of dode (menselijke) takken moest verwijderen om hem in leven te houden. Politici beschouwden het als een reden om zwakkere volkeren te onderdrukken of zelfs uit te roeien.

Gie van den Berghe wijst ook op de opkomst van de geneeskunde en de toenemende obsessie voor gezondheid en hygiëne. Vanaf de tweede helft van de 19de eeuw begonnen massale campagnes om kinderen in te enten tegen ziektes die in het verleden talloze slachtoffers hadden gemaakt. ‘Elk nieuw biologisch feit leek een vooroordeel te weerleggen; de vooruitgang leek niet meer af te stoppen (…) een medisch utopia leek binnen bereik’, aldus de auteur. Er volgden inderdaad heel wat positieve ontwikkelingen die de levenskwaliteit en de volksgezondheid ten goede kwamen, maar ook heel wat ontsporingen. Hoe sterker het geloof in de maakbaarheid van de mens en de samenleving, hoe meer de staat ingreep (of liet ingrijpen) om de ‘ideale samenleving’ gestalte te geven. De maatschappij werd aanzien als een levend organisme waarbij men de zieke elementen moest verwijderen en de goede en gezonde elementen aanmoedigen. Die inzichten gekoppeld aan een toenemend nationalisme vormden de voedingsbodem voor een actieve eugenetica waarin het individu ondergeschikt werd gemaakt aan natie, volk en ras, en waarbij de klemtoon geleidelijk verschoof naar de ‘abnormaliteit, waardeloosheid, kostprijs en gevaar voor de maatschappij’ van (groepen) mensen. Vanaf toen kwamen armen, gehandicapten, zwakzinnigen, criminelen, dronkaards, zwervers en al wie zich niet of nauwelijks conformeerde in het vizier.

Met zijn gedetailleerde historische uitwijding maakt Gie van den Berghe duidelijk dat de eugenetica geen specifiek nazi-Duitse aberratie was, maar een praktijk die algemeen aanvaard en toegepast werd. Een belangrijke rol speelde de Britse antropoloog Francis Galton, een halve neef van Charles Darwin, die het onderscheid maakte tussen ‘positieve’ eugenetica, waarbij men de meest geschikte mensen aanmoedigde tot meer voortplanting, en ‘negatieve’ eugenetica, waarbij men minder geschikte mensen ontmoedigt of verhindert om zich voort te planten – bijvoorbeeld door sterilisatie. De eerste sterilisatiewetten werden aangenomen in de Verenigde Staten (van 1907 tot 1963 werden er meer dan 60.000 mensen gedwongen gesteriliseerd). In Zweden hebben sociaal-democratische regeringen van 1935 tot 1971 duizenden vrouwen gedwongen gesteriliseerd omdat zij voor ‘inferieur’ of van ‘slecht of gemend ras’ doorgingen. Soortgelijke praktijken gebeurden met geestelijk gehandicapt verklaarde mensen in Japan, Canada, Australië, Noorwegen, Finland, Estland, Zwitserland en IJsland. De nadruk kwam ook steeds meer te liggen op de overtuiging dat men via de eugenetica de criminaliteit zou kunnen voorkomen of inperken. Misdadigers zouden bepaalde uiterlijke kenmerken of afwijkingen vertonen, wat leidde tot pseudo-wetenschappelijke stromingen zoals de frenologie en de fysionomie (gelaatkunde). De auteur wijst er ook op dat de eugenetica niet alleen omarmd werd door conservatieve en nationalistische, maar ook door socialistische en progressieve denkers. Het eerste internationaal congres over eugenetica in Londen in 1912 dat werd voorgezeten door Leonard Darwin, zoon van Charles, sprak zich zelfs uit voor ‘de noodzaak van menselijke selectie’ om degeneratie tegen te gaan.

De eugenetica bestond dus reeds voor Hitler en het nazi-regime, maar de combinatie van het geloof in de maakbaarheid van de mens en de samenleving, het extreme nationalisme, het virulente antisemitisme en de populaire rassenkunde vormden samen een explosieve cocktail waarin de beschaving niet zozeer onderbroken werd, maar faliekant ontspoorde. Op 14 juli 1933 (enkele dagen voor het Vaticaan een concordaat sloot met nazi-Duitsland) werd de Gesetz zur Verhütung erbkranken Nachwuchses goedgekeurd die het mogelijk om mensen die erfelijke ziektes hadden dwangmatig te steriliseren. In de praktijk werden ook talloze geestelijk gehandicapten, asocialen en de zogenaamde ‘Rijnlandbastaarden’ hierdoor getroffen. Van 1934 tot 1945 werden op die manier tussen 320.000 en 350.000 mannen en vrouwen gesteriliseerd. Intussen werd de bevolking via propaganda bewerkt om andere vormen van euthanasie te aanvaarden. Via cartoons in kranten en pseudo-documentaire films als Das Erbe (1935), Erbkrank (1936) en Opfer der Vergangenheit (Slachtoffer van het verleden) (1937) werden vreselijke beelden van geesteszieken getoond die de kijkers moesten overtuigen van het nut van de ‘genadedood’. In de herfst van 1939 ging het nazi-regime dan van start met de T4-campagne om mensen die misvormd, geestelijk gehandicapt of psychiatrisch ziek waren, radicaal te elimineren. Zij werden immers beschouwd als Ballastexistenz, Lebensunwertes Leben of Volksbelastender Kranken. Later zou het T4-personeel ingezet worden in de massale vergassingen van Joden en zigeuners. Sindsdien is eugenetica een absoluut taboe.

Niet dat er nadien geen eugenetica meer werden toegepast (in de VS en Zweden bijvoorbeeld bleef men tot in de jaren ’60 en ’70 doorgaan met gedwongen sterilisaties) maar er was wel iets fundamenteels veranderd. In het meest interessante deel van zijn boek gaat Gie van den Berghe in op de omschakeling van de eugenetica naar nieuwe ingrepen en therapieën onder nieuwe benamingen zoals de biotechnologie en de gentherapie. Toch zijn dit meer dan louter semantische wijzigingen. Waar voordien ingrepen gebeurden in naam van een groep, natie, volk of ras, staat nu het belang van het individu centraal. De auteur trekt hier de parallel met de opmars van de mensenrechten en de individualisering van de samenleving. Cruciaal verschil is dat (overheids)dwang niet langer aanvaard wordt en dat men vanuit de wetenschap, filosofie en politiek de uniciteit van elke mens erkent. De diepzwarte boosaardigheid die bijvoorbeeld de nazi’s dreef, maakte plaats voor een ethisch besef om onmenselijk leed te vermijden of (mits toestemming van een patiënt) zo goed mogelijk tegen te gaan. Zo gebeuren vandaag bijvoorbeeld ingrepen die erop gericht zijn geboortes van kinderen met zware aandoeningen te vermijden, zoals het syndroom van Down. Het gevaar voor ontsporingen blijft evenwel bestaan. Naarmate de kennis over de genetica en de technologie toeneemt, groeit bijvoorbeeld de druk om mensen ‘beter’ te maken, niet alleen door erge ziektes te voorkomen maar ook door het ‘programmeren’ van toekomstige kinderen. Hier wijst de auteur terecht op een reeks bio-ethische vragen zoals het gevaar van ‘sociale stigmatisering van mensen met een genetisch risico’ en ‘genetische manipulatie’ van asociale menselijke instincten.

Volgens Gie van den Berghe treden we thans ‘een tijdperk van zelfeugenetica binnen, met als primair doel de opwaardering van lichaam en geest’. Binnen een absolute vrije markt kan dit snel leiden tot een tweedeling in de samenleving ten voordele van de rijken. Door de overheid opgelegde regels zijn dan ook noodzakelijk. Dat neemt niet weg dat er voldoende ruimte moet gelaten worden om verder onderzoek te doen naar middelen om het lot van individuen te verbeteren. De Franse filosoof en hedonist Michel Onfray (die hier niet aan bod komt) heeft het in zijn boek Het lichaam, het leven en het lijden over het recht van de mens om het lijden met alle beschikbare middelen te bestrijden. ‘Het vermijden van pijn – basisprincipe van het hedonisme – is beter dan de behandeling ervan’, zo schrijft Onfray. Het enige gevaar dat hij in de transgene revolutie ziet, is de commerciële exploitatie zoals het toekennen van ideale maten of van een bepaald geslacht. Daar is hij dan ook (net als Gie van den Berghe) radicaal tegen. Het gaat hem om het voorkomen van zware handicaps zoals dwerggroei, acromegalie en hermafroditisme. In diezelfde zin verdedigt Onfray ook het klonen als middel tot het reproduceren van weefsels of organen die opnieuw in het lichaam van een zieke mens kunnen worden ingeplant.

Gie van den Berghe spreekt zich niet echt uit over de grenzen van dit belangrijke ethische debat. Dat is ook bijzonder moeilijk gezien de enorme evoluties die op bio-technologisch vlak bezig zijn. Soms maakt hij wel erg storende fouten. Zo verwijst hij naar een website ‘GenoChoice. Create your own genetically healthy baby online!’ in de VS waar je zou kunnen kiezen hoe je kind er moet uitzien. Van den Berghe neemt dit voor waarheid aan maar in feite betreft het een ‘performance’ van de kunstenaar Virgil Wong. Het boek bevat ook geen referenties en voetnoten wat gezien het onderwerp (en de ambitie tot het schrijven van een werk met wetenschappelijke ambities) nochtans absoluut nodig is. Toch is De mens voorbij een belangrijk werk dat doet inzien dat we zullen moeten leren leven met bepaalde van onze imperfecties en dat we steeds argwanend moeten staan tegenover diegenen die ons een wereld zonder kwalen voorspiegelen. Soms doen ze dat met goede bedoelingen, maar zoals Popper stelde, moeten we steeds oog hebben voor de ongewilde gevolgen van ons ingrijpen waardoor de balans van onze verbeteringen maar al te vaak doorslaat naar de negatieve kant.

Recensie door Dirk Verhofstadt

Gie Van den Berghe, De mens voorbij, Meulenhoff-Manteau, 2008

Gie Van den Berghe

JEHOVA GETUIGEN

26/11/2009

Coming Out as an Atheist to Jehovah’s Witnesses and the Watchtower Society
Why Do Jehovah’s Witnesses Overreact When A Believer Leaves The Faith?

From Isaac J. Harris, About.com Guest

Have you ever decided to come out as an atheist to your friends and family, only to have them react with anger or outright denial? Any atheist — not just former Jehovah’s Witnesses — is likely to face this after they leave their faith. Many of us hope our associates will get used to the idea, but some never do. They may use guilt, angry condemnations, or other tactics to bring us back into their religion, all while insisting that it’s for our benefit. This can be as hurtful as it is confusing. Why do they react so strangely?

Why Some Jehovah’s Witnesses Overreact

Like many fundamentalists, Jehovah’s Witnesses will often refer to their beliefs as “The Truth” rather than what it actually is: a huge part of their world view. They literally see the world as it is presented to them by the Watchtower’s Governing Body and reject anything that contradicts the Society’s filter. That means that God is a fact (instead of a mere belief) and has delegated his earthly authority to the Watchtower Bible and Tract Society. Anyone who disagrees with the Society must be ignorant of God’s will or in denial about reality. Former Witnesses usually fall into the latter category. Atheists are the most delusional of all. But why can’t Witnesses admit that they could be wrong instead of jumping to conclusions?

There is a sense of absolute certitude that comes with these beliefs. I know from experience how appealing that certitude can be. In their minds, “the Truth” is undeniable. It isn’t an opinion — it is a fact. They know that Jehovah is out there and that he will make things better. All they have to do is obey him and everything will be okay in the end. Many of them would feel lost without “the Truth” to tell them what to do. Anything that causes them to doubt it becomes a threat to their sense of certitude and must be avoided. This includes anyone who doesn’t share their beliefs.

What about having close association with those who may be morally clean but who lack faith in the true God? The Scriptures tell us: “The whole world is lying in the power of the wicked one.” (1 John 5:19) We come to discern that bad associations are not limited to permissive or morally debased people. Hence, we are wise to cultivate close friendships only with those who love Jehovah.
(Watchtower 3/15/06, page 23, paragraph 9 “Each One Will Carry His Own Load”)

This is an effective way of avoiding uncomfortable questions that could cause a Witness’s world view to crumble. It also shows us how far they are willing to go just to maintain the certitude they depend on.

Former Witnesses are the greatest threat of all. The very idea that one of their friends knows what they know about the Truth and rejects it can be a little scary. This can lead many Witnesses to seek reassurances from former believers, but unfortunately these Witnesses tend to behave badly when confronting ex-Witnesses. Some may even get a little creative in how they interpret what former believers say and do, which is why their behavior toward ex-Witnesses can be so strange and hurtful.

For instance, the believer often assumes that the atheist is miserable after leaving their organization, then boldly rejects the atheist’s attempt at correcting them. In other cases they insist the atheist still believes in secret, but left the Society because the requirements were too hard to meet. Excuses like these can make a nonbeliever’s doubts easier to shrug off and help the believer maintain their world view. If the atheist tells the Witness that they’re accusations are offensive, the believer may try to excuse their efforts as a selfless attempt to save the nonbeliever from damnation — or, in the case of Jehovah’s Witnesses, from destruction at Armageddon. This can make some nonbelievers feel guilty for standing up for themselves.

Overall, most ex-Witnesses find this sort of behavior pretty maddening. Should we really let them treat us this way?

What To Do When A Loved One Overreacts

When handling a Witness’s attempt to reconvert you, it can seem that everything you do is taken as proof that you still believe. If you get angry, they say this proves you are miserable or that their words have struck a nerve. If you say nothing, then their accusations are just a difficult truth you refuse to accept. It seems like nothing you say can convince them that you are sincere and happy and you can easily end up reinforcing their misconceptions if you aren’t careful.

What’s a former believer to do?

Remember that you are the one who knows what you believe and what your motives are — not them. Don’t get frustrated or angry when they start telling you what you believe. The battle for respect is often lost once you start getting emotional about their assertions. The stronger your reaction, the easier it is for them to misinterpret them.

Instead, stay calm when they try to convert you. Don’t let yourself be insulted by accusations or assumptions, and do not try to justify your beliefs to them. This only gives them the power to pass judgment over you. Just tell them your conclusions about the issues they raise in as brief a manner as possible. Avoid putting yourself on trial. Provide the details behind your conclusions when asked, but avoid pleading your case. The idea is to show them their opinion of your beliefs has no merit because those opinions are wrong.

Power plays a big part in these encounters. They want you to defer to their beliefs so they can feel reassured. That’s why keeping silent never works. You have to deflect their assumptions by telling them what you really think. No one is a greater authority on that than you. If they get angry at you, then so much the better. When they think about the encounter later on, they’ll (hopefully) remember that you kept your cool and they did not. They may even realize that you really mean what you say if you stay calm but firm throughout the encounter. Just don’t overdo it by appearing smug or condescending.

When handled this way, you can avoid reinforcing their assumptions. You might even convince them that you really mean what you say.
Related Articles

* Jehovah’s Witnesses, Watchtower Bible & Tract Society
* From Jehovah’s Witness to Atheist: Life Outside The Watchtower Society …
* Jehovah’s Witnesses and Religious Liberty
* From Jehovah’s Witness to Atheist: How & Why Witnesses Fade from Co…
* Jehovah’s Witness To Atheist: How Doubting Witnesses Can Fade, Avoid Sh…

Austin Cline

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.